Bevrijding komt wel uit de hemel vallen

Bevrijding komt wél uit de hemel vallen: een onderzoek naar egoverdichtende tendensen zoals Patanjali ze beschreef in de Yoga Sutra’s – Frank Wissink

Het ego –

het lijkt wel wat op lego:

je bouwt het in onderdeeltjes op.

En als je uitgespeeld bent,

breek je het in onderdeeltjes weer af.

  Inleiding

In een vorig artikel (‘Eindeloos spiegelen’) schetste ik hoe aspecten van de vier klassieke yogavormen terug te vinden zijn in het beoefenen van asana’s en hoe een juiste beoefening een bijdrage levert aan het verzachten van het egogerichte bewustzijn.

In dit artikel beschrijf ik hoe het ego ontstaat, welke processen het egogerichte bewustzijn verharden en hoe inzicht in deze processen, onder andere verkregen door meditatie, helpt om het egogerichte bewustzijn juist te verzachten en zo tot meer vrijheid te komen. Dit doe ik aan de hand van de yoga-psychologie, zoals die onder andere te vinden is in de Yoga Sutra’s van Patanjali, en inzichten uit de analytische en ontwikkelingspsychologie.

De naam van dit artikel is een ironische reactie op een boek over Sai Baba, getiteld ‘Bevrijding komt niet uit de hemel vallen’. In dit artikel wil ik aantonen dat bevrijding wél uit de hemel komt vallen. Dat we ons toch niet bevrijd weten, komt door de ‘paraplu’s’ die we opzetten. Die ‘paraplu’s’ beschrijf ik in dit artikel. En aan het eind beschrijf ik hoe yoga  kan helpendie paraplu’s dicht te vouwen. Ik zeg met opzet ‘kan helpen’ omdat ik in mijn artikel ook zal beweren dat er meer wegen naar Rome leiden en dat er ook vaak meerdere wegen bewandeld dienen te worden om daadwerkelijk in Rome aan te komen.

Iets over de Yoga Sutra’s

Iedereen die zich enige tijd met yoga bezighoudt en besluit zich in de achtergronden van yoga te verdiepen, krijgt op een gegeven moment te maken met de Yoga Sutra’s van Patanjali: een boekje, toegeschreven aan de Indiase wijze Patanjali, die in 195 aforismen (in sommige vertalingen 196) de essentie van de yoga van meditatie uiteenzet. Over de geschiedenis van de Yoga Sutra’s valt veel te zeggen, maar dat valt buiten het kader van dit artikel, waarin ik me wil beperken tot de boodschap die de Sutra’s overbrengen.

Die boodschap laat zich kort samenvatten als een weg naar bevrijding: bevrijding van de conditioneringen waar ieder mens mee te maken heeft. Conditioneringen die vanaf de kindertijd, of wellicht in vorige levens, zijn opgebouwd en die ons bewustzijn hebben gevormd. De Sutra’s beschrijven hoe deze conditioneringen er uitzien en op welke manier ze losgelaten kunnen worden.

De Sutra’s zijn verdeeld over vier delen. Het eerste daarvan, Samadhipada, definieert de toestand van yoga, het bewustzijn van éénzijn met je innerlijk, en beschrijft de stadia van ontwikkeling van dit bewustzijn. Het tweede deel, Sadhanapada, gaat over de beoefening van yogatechnieken. Het derde, Vibhutipada, beschrijft de spirituele vermogens die kunnen ontstaan als gevolg van yogabeoefening. Het vierde deel tenslotte, Kaivalyapada, gaat dieper in op de toestand van het bewustzijn wanneer het vrij wordt van conditioneringen.

In de loop der jaren zijn er talrijke vertalingen van de Sutra’s in westerse talen verschenen. Eén van de redenen daarvoor is de rijkdom van het Sanskriet, de oude taal waarin heilige geschriften uit de vedische en tantrische traditie zijn geschreven. Zoals het geval is bij iedere taal, kan ook het Sanskriet op meerdere manieren vertaald worden. Wanneer westerlingen de Sutra’s vertalen, speelt ook nog mee dat de Sutra’s stammen uit een cultuur die in vele opzichten wezenlijk verschilt van de onze. Onder andere daarom speelt de filosofie die een vertaler aanhangt een belangrijke rol. Vaak lees je dus niet zozeer een vertaling van de Sutra’s, maar veeleer een interpretatie ervan. Voor wie zich echt in de Sutra’s wil verdiepen is het dan ook aan te raden meerdere vertalingen naast elkaar te lezen. Op een dergelijke manier wordt het mogelijk om je eigen ‘klik’ met de Sutra’s te maken.

Mijn klik is er een vanuit het ahimsa-principe (ahimsa = geweldloosheid). Waar sommige vertalingen in het teken lijken te staan van strijd om spirituele ruimte te veroveren, geloof ik veel meer in het door inzicht geleidelijk laten oplossen van geestelijke barrières, teneinde me te bevrijden van conditioneringen. Het is dan ook vanuit deze invalshoek dat ik dit artikel schrijf. Ik beroep mij hiervoor op de derde sutra uit het vierde deel (in de vertaling van Cor Thelen, ‘Het hart van yoga’):

Het zijn nooit persoonlijke motieven die deze scheppingskracht in beweging zetten. Elke nieuwe geboorte of, in het klein, elk nieuw moment, is alsof een boer een damwal naar een nieuwe akker doorbreekt: een geheel nieuw omkaderd terrein wordt door de potenties van levend water vruchtbaar gemaakt.

Of, wellicht nog treffender, dezelfde sutra in een vertaling van Alice Bailey in haar boek ‘Licht van de ziel’:

De oefeningen en methoden zijn niet de werkelijke oorzaak van het verplaatsen van bewustzijn, maar zij dienen tot het verwijderen van hinderpalen, evenals een landbouwer zijn grond gereedmaakt voor het zaaien.

Deze sutra zegt mij dat het loslaten van conditioneringen niet met verovering gepaard gaat, maar met jezelf openstellen en daardoor het loslaten van beperkingen.

Een andere klik die ik met de Sutra’s maak, vind ik in de westerse psychologie, met name de analytische en de ontwikkelingspsychologie. Het is grotendeels vanuit inzichten uit de ontwikkelingspsychologie dat ik de volgende paragraaf schrijf.

Wat is dan toch dat ego?

De Sanskrietterm die het meest het westerse begrip ‘ego’ benadert, is ‘ahamkara’. Het mooie aan dit woord is dat het, letterlijk vertaald, ‘ik-maker’ betekent. (Zoals ik aan het begin van dit artikel al stelde: ‘Het ego is als lego…’) Dit geeft aan, dat het ego geen vanzelfsprekendheid is. Volgens de meeste vedische en boeddhistische stromingen is het ego een illusie. En westerse psychologen zeggen dat je niet met een ego geboren wordt. Dat betekent overigens niet dat je als een onbeschreven blad op de wereld komt. (Daar ga ik later op in als ik het concept ‘samskara’s’ bespreek.)

Het ego (Latijns voor ‘ik’) komt gedurende de ontwikkeling van het kind tot stand. Op het moment dat het embryo zintuigen ontwikkelt, begint het met het waarnemen van zijn omgeving en vanzichzelf. Het waarnemen is voorwaarde voor het ontwikkelen van een geheugen: het geheugen moet immers iéts – een waarneming – hebben om zich te kunnen herinneren. In het begin zijn die herinneringen chaotisch, omdat het embryo in symbiose met de moeder leeft en nog geen eigen referentiekader heeft om herinneringen te kunnen ordenen, laat staan om er gericht handelen uit voort te laten komen.

Bij de geboorte wordt de fysieke symbiose weliswaar verbroken, maar het zich psychisch losmaken van de moeder (of de opvoeders) en het ontwikkelen van een ego is direct na de geboorte nog niet aan de orde. Het handelen is in deze fase van de ontwikkeling instinctief, vanuit de geërfde eigenschappen van de ‘soort’ mens,homo sapiens. En het handelen is reactief, dat wil zeggen: het kan alleen nog maar reageren op prikkels uit de buiten- en binnenwereld en er vrijwel nog niet op anticiperen. Het kind is in deze fase niet meer dan een ‘bundeltje driften’ die bevredigd moeten worden.

De ontwikkelingspsychologie stelt, dat het kind in de eerste drie jaar de omgeving en zichzelf interpreteert op basis van het zich eigen maken van het ‘voorbeeldgedrag’ van zijn ouders. Als het meezit, leren de ouders hun kind om van een bundeltje driften een min of meer sociaal wezen te worden, dat zichzelf in een gezonde relatie met de omgeving weet en dat zichzelf rond het derde levensjaar als een individu begint te beschouwen.

De eerste min of meer geordende jeugdherinneringen gaan meestal terug naar het derde levensjaar, hetgeen aangeeft wanneer het ego zich begint te vormen. Deze herinneringen lijken zich te centreren rond een zeker ik-besef. Het is dan ook in deze tijd dat het kind niet meer over zichzelf spreekt in de derde persoon enkelvoud, maar het woord ‘ik’ begint te gebruiken. Het lijkt er dus op, dat herinneringen ontstaan rond iets dat we ‘ego’ noemen.

Volgens sommige boeddhistische stromingen echter is het juister om te zeggen dat het ik-besef illusoir is. Wat we ervaren als het ego is niet meer dan een conglomeraat van herinneringen. En voor het begrip ‘ego’ of ‘zelf’ zoals wij dat kennen is in het boeddhisme geen plaats. In dat licht kun je misschien de continue oproep van Krishnamurti zien om het verleden los te laten. Want wie de psychische lasten van het verleden loslaat, laat tevens zijn ego los.

De overeenkomst tussen de westerse ontwikkelingspsychologie en de boeddhistische visie op het vormen van het ego is, dat het ego ontstaat door een wisselwerking tussen het bewustzijn en de ervaringen met de omgeving.  Op het moment dat er een kern van herinneringen is ontstaan, kun je spreken over de eerste contouren van een ego. Door het ondergaan van ervaringen en door van die ervaringen te leren, wordt het ego vervolgens steeds meer een middel om grip op de omgeving te krijgen. In die zin speelt het ego een belangrijke rol in het overleven. Om te overleven zul je moeten handelen en een zekere grip op je omgeving moeten hebben. Het ego zorgt ervoor dat je leert van je ervaringen en je op die manier kunt handhaven en ontplooien.

Omdat de eerste drie jaar zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van een gezond ego, ontstaan de ernstigste persoonlijkheidsstoornissen (die je kunt beschouwen als een misvorming van het ego) ook in die eerste drie jaar. Met name verwaarlozing en seksueel misbruik in die fase van het leven misvormen het ego dusdanig dat iemand daar een blijvende stoornis aan kan overhouden.

Samengevat: Het ego ontstaat in relatie met de omgeving, waarbij met name de ouders en opvoeders een belangrijke rol spelen. Het bestaat uit verwerkte ervaringen, die voor een belangrijk deel lukraak en niet doelgericht tot stand zijn gekomen.

In die zin is er niets mis met het ego. Ik kan me dan ook niet vinden in de opvatting dat het ego moet sterven als je de verlichting wilt bereiken. Wel geloof ik dat het ego een te belangrijke plaats heeft gekregen in ons bewustzijn. Het is, om een beeld uit ‘The Lord of the Rings’ te gebruiken, alsof in het land van ons bewustzijn de stadhouder in plaats van de koning regeert.

Waarom zou je het egogerichte bewustzijn willen verzachten?

Zoals in de vorige paragraaf is uiteengezet, kun je het ego omschrijven als het instrument, op basis van ervaringen ontstaan, waarmee je je kunt handhaven en ontplooien. Hierin ligt de kracht van het ego, maar ook zijn beperking. Leren houdt in, dat sommige gedragingen en gedragskenmerken die waardevol bleken in een bepaalde situatie, versterkt worden, terwijl andere ‘uitdoven’ of een slapend bestaan gaan leiden.

Nieuwe situaties vereisen nieuwe gedragingen, maar worden vanuit het ego veelal benaderd met oude strategieën, die vervolgens vaak niet adequaat blijken te zijn.

In de psychologie, met name in de Gestalt-opvatting van Fritz Perls, wordt dan gesproken van neurotisch gedrag, dat zo volhardend kan zijn dat het de hele persoonlijkheid beïnvloedt. Dan kun je spreken van een neurotische persoonlijkheid, die zich meer en meer afsluit van de realiteit en leeft binnen zijn eigen beeld van de werkelijkheid.

Overigens zien wij allemaal onze opvattingen over de realiteit min of meer aan voor de realiteit zelf en zijn we, in die zin, allemaal min of meer neurotisch. Maar bij de neuroticus is het afgesloten zijn van de werkelijkheid verworden tot de grondslag van zijn bestaan.

Er is dan een situatie ontstaan die volledig tegengesteld is aan wat de Sutra’s beogen. In plaats van bevrijding van de lasten van het ego is er sprake van gevangen zijn binnen dat beschadigde ego. Zo kan iemand die uit een onveilige opvoedingssituatie komt, waarin hij zich niet kon leren hechten, daaraan een blijvende angst overhouden om relaties aan te gaan. Waar een gezond mens veiligheid ervaart in relaties, zal voor een beschadigd mens een relatie vaak de ondergrond hebben van gevaar.

Freud heeft gezegd dat iemand niet vrij kan zijn van neurosen. En de psychoanalyse kan, in zijn optiek, van een zieke neuroticus hoogstens een gezonde neuroticus maken. Van een gezonde neuroticus vervolgens een gezonde niet-neuroticus te maken, dat is het waar yoga zich op richt.

Dit impliceert wel dat er een tweesporenbeleid nodig is. Om de stap van een zieke neuroticus naar een persoon met een bevrijd bewustzijn te maken is kennelijk de tussenstap van het komen tot een gezonde neuroticus nodig. Als deze stap is gemaakt, kan begonnen worden met het verzachten van het egogerichte bewustzijn. Dat verzachten stelt het ego in staat vrijer te reageren op een veranderende omgeving en in contact te blijven met de werkelijkheid. Daarbij is een verzachting van het egogerichte bewustzijn voorwaarde om in contact te komen met de diepere lagen van het bewustzijn. Dan wordt het mogelijk om de goddelijke vonk in ons te realiseren.

In Yoga Sutra 1.41 (in de vertaling van Jogchum Dijkstra & Salvatore Cantore: ‘Zien door yoga’, onlangs opnieuw uitgebracht!) wordt dit als volgt beschreven:

Is het wervelen bedaard, dan rust de geest op – en wordt gekleurd door – het begrijpende, het begrijpen, het begrepene, als een helder kristal: dit is éénworden.

Het verzachten van het egogerichte bewustzijn kan voor mensen met persoonlijkheidsstoornissen of andere psychiatrische beelden gevaarlijk zijn. Zoals je soms bepaalde bewegingen niet maakt om minder goed functionerende spieren te ontzien, of in een bepaalde houding het werk van minder goed functionerende spieren laat overnemen door andere spieren, met het risico van overbelasting, zo geldt dit ook op psychisch niveau.

Overigens is er een direct verband tussen een onevenwichtig ego en de manier waarop het lichaam zich beperkt in zijn bewegingsvrijheid, zoals aangetoond door Wilhelm Reich, een psychiater en volgeling van Sigmund Freud, die in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zijn inzichten op schrift stelde. Hij sprak in dit verband van een ‘spierpantser’, waarin traumatische en verdrongen ervaringen zich onder andere manifesteren door spierspanningen.

Alexander Lowen baseerde zich op de ideeën van Reich toen hij in de jaren zestig zijn therapeutische lichaamswerk, de Bio-energetica, ontwikkelde. Bio-energetica kenmerkt zich door fysieke oefeningen, waardoor energetische en spierspanningen tot ontlading komen. En dit, aldus Lowen, leidt ook op het mentale vlak tot bevrijding van neurotische gedragspatronen. Interessant vanuit het oogpunt van hatha yoga: ook hier staat immers centraal de eenheid van geest, energie en het lichaam, en wordt er vanuit deze drie invalshoeken gewerkt aan het bevrijden van het geconditioneerde bewustzijn.

Het ego ontwikkelt mechanismen om niet alleen zichzelf in al zijn onevenwichtigheid in stand te houden, maar ook het vanuit dat perspectief aangenomen wereldbeeld. Ik geef een aantal voorbeelden:

- Verdringing: Ervaringen die niet stroken met het beeld dat het ego van zichzelf in stand wil houden, worden naar het onderbewuste verdrongen. In de yogafilosofie zou je die ervaringen ‘samskara’s’ kunnen noemen.

- Projectie: De eigenschappen van jezelf die je niet wilt erkennen en naar het onderbewuste hebt verdrongen, projecteer je op anderen.

- Een gevolg van bovenstaande is het niet kunnen nemen van de eigen verantwoordelijkheid.

- Een vanuit yoga-oogpunt interessant psychologisch mechanisme is de inflatie van het ego: je maakt jezelf, vanuit een niet herkend minderwaardigheidscomplex, belangrijker dan je in feite bent. In de paragraaf over het ontwikkelen van siddhi’s kom ik daar nog op terug. (Er zijn aanwijzingen in de literatuur dat sommige goeroes lijden aan inflatie van hun ego.)

Het verzachten van een ego dat niet in balans is, kan onderdrukte gebeurtenissen met zo’n kracht in het bewustzijn brengen dat het ego desintegreert en dat een verergering van psychische klachten optreedt.

Een gezond ego is een sterk ego, maar niet sterk in de zin van ‘star’. Juist een sterk ego in de zin van flexibel is in staat ervaringen te integreren en in balans te komen.

In het Chinese wijsheidsboek ‘I Tsjing’ wordt dit poëtisch omschreven in het 24ste hoofdstuk (vertaling Johan Willemsens: De weg van Lao-Tse):

Wie op zijn tenen staat, valt om;

wie wijdbeens loopt, komt niet ver.

Wie zich voordringt, wordt niet belicht;

wie zich rechtvaardigt, verliest zijn aanzien;

wie zich beroemt, wordt niet geloofd;

wie overdrijft, volbrengt niet.

Gezien vanuit Tao, is dit alles als vuilnis.

Wat volgens Patanjali het egogerichte bewustzijn verhardt

In de Yoga Sutra’s van Patanjali wordt een scherpe analyse gegeven van de aspecten van het bewustzijn die de ontwikkeling van het bewustzijn naar bevrijding in de weg staan. De sutra’s zijn ten aanzien van dit thema geniaal geconstrueerd, omdat gaandeweg de in de sutra’s genoemde aspecten steeds meer met het ego vervlochten zijn, waardoor ze moeilijker te herkennen en dus moeilijker los te laten zijn. Ik neem de aspecten in deze paragraaf door.

Cittavritti’s

De cittavritti’s worden in het eerste deel van de sutra’s beschreven. Volgens Patanjali zijn het er vijf en kunnen ze pijnlijk zijn of niet pijnlijk. In de sutra’s wordt niet beschreven wanneer de cittavritti’s pijnlijk zijn en wanneer niet. Maar uit de verdere opbouw van de sutra’s – in sutra 1.12 wordt de noodzaak van onthechting of non-identificatie genoemd – leid ik af, dat cittavritti’s pijnlijk zijn wanneer je je eraan hecht door te denken dat het bewustzijn niet meer is dan zijn inhoud, en dat ze niet pijnlijk zijn wanneer je beseft dat het bewustzijn meer is dan de inhoud ervan.

De vijf cittavritti’s die Patanjali noemt, zijn (in de vertaling van Swami Prabhavananda en Christopher Isherwood; Uitg. Sirius en Siderius):

- Juiste kennis, die ontstaat door directe waarneming, gevolgtrekking en getuigenis van heilige geschriften.

- Onjuiste kennis, die vals is en niet gebaseerd op de ware aard van haar object. Het bekende voorbeeld uit de yogafilosofie is een stuk touw dat wordt aangezien voor een slang.

- Verbale begoocheling, wanneer woorden niet overeenkomen met de werkelijkheid. Je zou dit ook inbeelding kunnen noemen. Dan leeft iemand niet meer in de realiteit, maar ziet hij een semantische werkelijkheid aan voor de werkelijkheid, de landkaart voor het landschap. Denk aan de in de vorige paragraaf beschreven neuroticus.

- Slaap, die een gedachtegolf is over niets. Een wat ongelukkige vertaling van Isherwood, waar mijns inziens bedoeld wordt dat ergedurende de slaap nog steeds gedachtegolven bestaan en er verbindingen zijn met het ego, maar dat je je daar, door de bewusteloosheid die slaap met zich meebrengt, niet bewust van bent. Overigens maakt deze sutra niet duidelijk wat de status van de droomtoestand in dezen is. Maar er zijn vormen van yoga die dieper ingaan op de toestand van de geest tijdens de droomloze slaap, de rem-slaap, en in de toestand van lucide dromen, waar de dromer zich bewust is van het feit dát hij droomt. In een volgend artikel hoop ik daar nader op in gaan.

- Herinnering, waarvan sprake is als eens waargenomen objecten niet vergeten worden, maar terugkomen in het bewustzijn.

De volgorde waarin Patanjali de eerste drie cittavritti’s beschrijft is er een van een steeds verdergaande loskoppeling van de waarneembare realiteit. Bij juiste kennis is er een directe verbinding met de realiteit, bij onjuiste kennis is het beeld van de realiteit verwrongen, bij begoocheling bestaat de realiteit alleen maar op semantisch niveau. Ook bij slaap en herinnering is een directe koppeling naar de realiteit verdwenen.

De beschrijving van de cittavritti’s in termen van bewustzijnsinhouden is objectief. Behalve de wat zakelijk aandoende constatering dat ze pijnlijk of niet pijnlijk kunnen zijn, is er in de beschrijving ervan nog geen sprake van een ingewikkelde vervlechting met dieperliggende aspecten van het bewustzijn, terwijl je die natuurlijk wel kunt veronderstellen.

Van meer vervlochtenheid is wel sprake bij de eerste littekens die zich op de ziel aftekenen, namelijk:

De klesha’s

De klesha’s worden beschreven aan het begin van het tweede deel van de Yoga Sutra’s. Ze worden vaak vertaald met ‘aandoeningen’, hetgeen ik een mooie vertaling vind. Onder invloed van de klesha’s voel je je alsof je iets is aangedaan. Tegelijkertijd, bij het doorvoelen van en het mediteren op deze klesha’s, ga je merken dat je eigenlijk jezélf iets hebt aangedaan. Weliswaar vanuit onwetendheid, maar toch. De troost is echter dat, omdat jíj het bent die jezelf wat hebt aangedaan, jíj het ook bent die er wat aan kunt doen.

De Sutra’s benoemen de klesha’s als: onwetendheid, ikbesef, gehechtheid, afkeer en de wil tot leven (vertaling Jogchum Dijkstra & Salvatore Cantore). Ook hier is Patanjali’s volgorde weer geniaal:

De onwetendheid maakt dat je jezelf verwart met de inhoud van je bewustzijn, waardoor er een beperkt ikbesef ontstaat. Dat ikbesef wil zichzelf in stand houden en doet dat door de wereld in aangename en onaangename dingen in te delen (gehechtheid en afkeer), en weigert opgedane veronderstellingen te veranderen. Ik zie hierbij de vijfde klesha, de wil tot leven, als: je huidige zelfbeeld in stand willen houden. Omdat je vanuit onwetendheid de realiteit in aangename en niet aangename zaken indeelt, maak je verkeerde keuzes. Wat aangenaam is, is niet per definitie goed voor je. Roken kan uiterst aangenaam zijn, maar is zeker niet goed voor je. Verslaving betekent dat de potentiële vrijheid die het bewustzijn in zich heeft, sterk beperkt wordt.

Waar bij de cittavritti’s de verwevenheid met het egobewustzijn nog niet zo groot is, beginnen de klesha’s er al meer ‘in te hakken.’

De cittavritti’s en klesha’s zijn zaken die in meditatie of therapie relatief makkelijk tot het bewustzijn toe te laten zijn. Ánders wordt het bij de:

Samskara’s

Een illustratie:

Ik ben een jaar of veertig en doe mee aan een vijfdaagse training voor mijn werk. De locatie is een hotel vlak bij een groot bos. Het is een heftige training, af en toe als een ouderwetse encountergroep. Tegen het eind van de training krijgt de groep de opdracht om elkaars voortgang te beoordelen. Iemand wijst mij keihard af: ik heb in haar ogen totaal geen ontwikkeling doorgemaakt in die vijf dagen. Niemand valt mij bij. Moe van vijf dagen intensief bezig zijn, te weinig slaap en continu onder de mensen zijn, is dit me te veel. Ik barst in tranen uit en verlaat het hotel om het bos in te lopen. Na een uur ben ik uitgehuild en ga in een uitspanning wat drinken. Het toeval (?) wil, dat een paar tafels verder iemand de krant zit te lezen met op de achterkant een grote krantenkop die zegt: ‘Zo goed ben je nog niet, jochie’. Over synchroniciteit gesproken!

Opeens komt het volgende beeld met kracht naar boven: Ik ben drie, wellicht begin vier. Vlak bij mijn ouderlijk huis is een grasveld waar ik vaak speel. Ik zeg ‘vlak bij’, maar voor mijn gevoel is het ver weg, want als je klein bent lijkt alles groot. Kennelijk werken de emoties van dat moment de rest van je leven door. Tijdens het spelen leer ik een meisje kennen, een prinsesje in mijn ogen. Op een gegeven moment roept haar moeder haar om te komen eten. We spreken af om na het eten weer verder met elkaar te spelen. Ik ga ook naar huis om te eten. Na het eten ga ik vol verwachting terug naar het grasveld. Het meisje is er niet. Ik heb haar nooit meer gezien.

In een flits zie ik hoe deze herinnering zich ooit heeft vastgezet in mij en hoe ik in relaties, of het nu werk of privé betreft, altijd bezig ben te voorkomen dat ik wordt afgewezen.

Dit is niet alleen een verstandelijke maar ook een existentiële ervaring, en ik weet eigenlijk niet of ik moet lachen of huilen. De diepte van deze ervaring – het in één keer doorzien hoe die gebeurtenis uit mijn jonge jaren bepalend is geweest voor de manier waarop ik mijn leven leefde – was een bevrijding: een bevrijding van een samskara. De valkuil – altijd maar mijn best doen om niet afgewezen te worden – blijft, maar is niet langer bepalend voor mijn gedrag.

De analytische psychologie over samskara’s

Met het begrip samskara raken we de opvattingen van de analytische psychologie over de geest. Het gaat om ervaringen die we ooit gehad hebben, maar die we om een of andere reden uit ons bewustzijn hebben verbannen. Die ervaringen blijven, zonder dat we ons dat bewust zijn, van grote invloed op ons gedrag en wereldbeeld. In de traditionele psychoanalyse van Freud ging het om verdrongen seksuele impulsen die in het persoonlijk onbewuste belanden. Jung verbreedde dit concept van het onbewuste met het collectieve onbewuste en introduceerde begrippen als ‘de Schaduw’ en ‘het Archetype’, maar in een simpelere context kunnen het ook intense jeugdherinneringen zijn. De herinneringen kunnen overigens een sterk archetypische lading hebben wanneer ze raken aan de existentiële ervaringen die ieder mens kan hebben. Het is niet voor niets dat het meisje in mijn ogen een prinsesje was.

Binnen de yogafilosofie, voorzover die uitgaat van het bestaan van reïncarnatie, kan het dus ook gaan om ervaringen uit een eerder leven. Deze opvatting verklaart dan ook waarom we niet als een ‘onbeschreven blad’ op de wereld verschijnen.

Wat mij betreft hoeven we niet zo ver terug te gaan. In het huidige leven zijn ons genoeg dingen overkomen die onze levensloop bepalen zonder dat we het ons bewust zijn. Deze onbewuste motieven, die ons egogerichte bewustzijn beperken en verstarren, en die ons handelingsrepertoire beperken, zijn samskara’s. Wanneer je ze doorziet, niet alleen op verstandelijk maar juist op diep existentieel niveau, wordt hun invloed op je gedrag en zelfbeleving kleiner en kom je er mogelijk vrij van. Dit is overigens geen wet van Meden en Perzen. Zoals ik al schreef in mijn voorbeeld over het gevoel afgewezen te zijn: De valkuil toch in oude gedragspatronen te schieten is er nog steeds; en zeker als ik moe ben, en dus minder bewust, is die valkuil groot. Het bewustmaken van samskara’s is dus een relatieve bevrijding, zeker wanneer het inzicht alleen op mentaal niveau is. Wanneer het loslaten zowel op mentaal, emotioneel, energetisch en fysiek niveau gebeurt, dan zou het verhaal wel eens anders kunnen zijn.     

De ultieme test: Siddhi’s

In deel drie van de Yoga Sutra’s wordt gesproken van siddhi’s, de vermogens die gepaard kunnen gaan met de ontwikkeling van het bewustzijn, waaronder ook paranormale vermogens als levitatie en helderziendheid. Het derde deel van de Sutra’s staat bol van voorbeelden van vermogens die je kunt krijgen door op bepaalde zaken te mediteren.

Naar mijn mening lopen in de Sutra’s werkelijke vermogens door elkaar met beschrijvingen van subjectieve meditatie-ervaringen en worden werkelijke vermogens op één lijn gesteld met beschrijvingen van subjectieve meditatie-ervaringen. Ook het symbolische taalgebruik in deel drie maakt het niet altijd even makkelijk de beschreven vermogens te duiden. Voor de strekking van mijn betoog is dit minder relevant. Het gaat mij er om welke uitwerking het ervaren van siddhi’s heeft op het egogerichte bewustzijn.

Die uitwerking kan bijzonder egoverhardend zijn. Het ego kan zich geweldig bevestigd voelen door het hebben van bijzondere vermogens. Het aantal helderzienden die door middel van het spelletje ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ aan inflatie van het ego lijden, is legio. Zoals hier eerder gezegd vertonen ook sommige goeroes dit verschijnsel. Kort door de bocht: als het gaat om de kwaliteit van het egogerichte bewustzijn, maakt het psychologisch gezien niets uit of je pronkt met je nieuwe auto of met je paranormale vermogens.

Het omgaan met siddhi’s is dan ook een ultieme test voor een goede integratie van met name de cittavritti’s en de samskara’s in het bewustzijn. Zolang je je niet bewust bent van je onbewuste drijfveren voor handelen en bewustzijn, is de kans groot dat je bijvoorbeeld een niet herkend minderwaardigheidsgevoel compenseert door je siddhi’s te gebruiken om aanzien te verwerven. Met het eerder genoemde spelletje spelletje ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’,  creëer je een nieuwe gevangenis, namelijk de gevangenis van aan verwachtingen te moeten voldoen. Ook menig goeroe trapt uiteindelijk in de valkuil van wat in de Transactionele Analyse van Eric Berne de grondhouding ‘Ik ben OK, jij bent niet OK’ wordt genoemd.

Vandaar – na de reeks beschrijvingen van de siddhi’s – sutra 3.50 (vertaling Alfred Scheepers):

Door zich zelfs daarvan te onthechten, wanneer de kiemen van zijn gebreken zijn vernietigd, wordt hij vrij en onafhankelijk.

En niet eerder dus…

‘Man with head in clouds cannot keep feet on ground unless very big man’, las ik ooit in het hippietijdschrift Waterman.

Doorzien is loslaten, maar wat is er nu nodig om werkelijk te doorzien?

Ik kom tot het eind van mijn betoog, waar ik uiteindelijk meerdere maanden over heb gedaan. Met name deze paragraaf is meerdere malen herzien. Alsof het nodig was ben ik tussen het schrijven van de vorige paragrafen en de definitieve versie van deze in een persoonlijke crisis geraakt die op het moment dat ik dit schrijf nog niet uitgewoed is.

Door deze crisis is de ietwat aanmatigende oorspronkelijke  titel van het concept van deze paragraaf : ‘Doorzien is loslaten’ veranderd met de meer kwetsbare aanvulling ‘maar wat is er nu nodig om werkelijk te doorzien?’

Ik heb uiteengezet dat yoga een weg tot bevrijding is. Vanuit de ontwikkelingspsychologie en de psychologie van de Yoga Sutra’s heb ik beschreven welke belemmeringen we opwerpen op de weg naar bevrijding, welke paraplu’s we opzetten om de uit de hemel vallende verlichting tegen te houden. In deze paragraaf wil ik laten zien hoe yoga kan helpen om die paraplu’s weer in te klappen. Ook wil ik laten zien dat behalve yoga andere disciplines en methoden nuttig kunnen zijn om het bewustzijn van zijn conditioneringen te bevrijden. Sterker nog, ik ben van mening dat voor de westerse mens een ‘multidisciplinaire’ benadering het meest geschikt is.

Allereerst is het zinvol om yoga vanuit een holistisch standpunt te beoefenen en zodoende inzicht te krijgen in je beperkingen. In mijn artikel ‘Eindeloos Spiegelen’ (Nieuwsbrief 99, 101, 102) laat ik zien hoe de beoefening van asana’s een middel kan zijn om tot een inzicht in je mogelijkheden en beperkingen te komen. Yoga gaat er vanuit dat lichaam en geest een zijn, dat werken aan de geest tevens werken aan het lichaam is en andersom. Dat dit een waarheid als een heilige koe is zal iedere yogabeoefenaar beamen.

Maar zoals je bij het werken aan het lichaam geneigd kunt zijn asana’s onbewust aan te passen om spiergroepen te ontzien, zo kun je bij het werken aan de geest – hetgeen meditatie uiteindelijk is – onbewust aanpassingen doen om ongewenste bewustzijnsinhouden niet te hoeven zien. Er is dan wel sprake van loslaten, maar wat je niet wilt of kunt zien of voelen kun je niet loslaten. Daardoor is het loslaten niet compleet, terwijl je dat wel denkt. En zoals bij het werken aan het lichaam een goede hatha-yogadocent je kan attenderen op hoe je met je lichaam omgaat en hoe dat ook anders zou kunnen, zo kan het bij het werken aan de geest uiterst nuttig zijn iemand te hebben die je een spiegel voorhoudt en je bewust maakt van de mentale spelletjes die je speelt om je vast te kunnen houden aan je conditioneringen. Zo’n persoon kan je begeleiden in je groei van een zieke neuroticus naar een gezonde neuroticus. Dat kan een goede vriend(in) zijn, die bereid is je niet te ontzien bij het voorhouden van een spiegel. Maar indien nodig kan dat ook een therapeut zijn, die je helpt onbewuste patronen te leren zien. Ikzelf heb ik een coach in de arm genomen die mij vol mededogen meedogenloos confronteert met de onbewuste overtuigingen van waaruit ik handel. Onbewuste overtuigingen die ik tijdens meditatie over het hoofd heb gezien. Of zoals een goede vriendin mij zei toen ik haar vertelde dat het niet zo goed met me ging: ‘Kennelijk heb je in je meditatie niet alles meegenomen.’

Wat betreft ervaringen die je in yoga en meditatie kunt hebben, hoe individueel deze ook mogen zijn, het is van belang om ze te toetsen aan de theorie, zoals die bijvoorbeeld in de Yoga Sutra’s en andere gezaghebbende geschriften te vinden is. De sutra’s en andere geschriften kun je zien als landkaarten die je gidsen door het land van bewustzijn waar je doorheen reist als je mediteert. Door de sutra’s en andere geschriften zo te zien kun je controleren of de ervaringen die je hebt horen bij dit land, of dat je in een fantasielandschap terecht bent gekomen.

Zoals eerder gesteld: gebruik meerdere vertalingen, zodat je uiteindelijk op weg kunt gaan met de interpretatie die de beste klik maakt. Het gevaar ligt vervolgens op de loer dat je een interpretatie maakt die alleen maar jouw beelden over de realiteit bevestigen. Om dat te voorkomen lees ik zelf regelmatig (spirituele of andere) boeken waarmee ik het op het eerste gezicht niet eens ben. Laat je uitdagen om je wereldbeeld te herzien. Niets is meer verfrissend dan een onverwacht uitzicht!

Zoals je voor het integreren van onbewuste bewustzijnsinhouden in je bewustzijn een therapeut of coach in de arm kunt nemen, zo is het ook nuttig om een groep yoga-maatjes om je heen te hebben, zodat je elkaar feedback kunt geven op elkaars bewustzijnservaringen. Zo’n groepje dient dus niet alleen om elkaar te bevestigen, want anders ben je, voor je het weet, een nieuwe sekte aan het vormen. Voor je spirituele ontwikkeling kan het juist heilzamer (= heelmakender) zijn mensen om je heen hebben die je uitdagen om jou en jouw visie op de werkelijkheid op de kop te zetten.

Om dit idee vorm te geven bestaat er sinds een jaar of acht in de regio Rotterdam een groep yogadocenten waar ik ook deel van uitmaak. De kracht ervan is dat het een ‘oecumenische’ groep is, met leden uit diverse yogastromingen. Deze groep ziet elkaar zeswekelijks om elkaar les te geven maar ook om elkaar te bevragen en feedback te geven. Dit leidt menigmaal tot verdiepende inzichten dan wel het loslaten van eerder aangehangen overtuigingen. Voorwaarde voor zo’n studiegroep is wederzijds respect gekoppeld aan een eerlijke en kritische instelling.

Tot slot: laten we humor en zelfrelativering niet vergeten. Zij helpen niet alleen bij spirituele ontwikkeling maar maken het leven ook aangenamer.